ECLI:NL:CRVB:2021:157
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toekenning bijstand als geldlening en vermogensvaststelling peildatum
Betrokkene diende op 3 mei 2017 een aanvraag in voor bijstand in de vorm van een geldlening. Het college kende bij besluit van 19 juni 2017 bijstand toe en legde een krediethypotheek op de woning vast. Het maximale bedrag van de geldlening werd berekend op basis van de overwaarde van de woning minus het vrij te laten vermogen.
Het college verklaarde het bezwaar tegen dit besluit op 6 november 2017 ongegrond, stellende dat een schuld van maximaal € 20.000,- aan de ex-partner niet in aanmerking hoefde te worden genomen omdat deze schuld niet op de woning drukt en dat een tweede hypotheek die na de aanvraag was gevestigd niet relevant was.
De rechtbank stelde het beroep van betrokkene tegen het college in het gelijk en oordeelde dat het college ex nunc rekening had moeten houden met de tweede hypotheek die na de aanvraag was gevestigd. De rechtbank vernietigde het besluit en kende bijstand om niet toe.
De Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak en verklaart het beroep tegen het besluit van het college ongegrond. De Raad benadrukt dat de peildatum voor vermogensvaststelling de datum van de aanvraag is en dat artikel 50, tweede lid, van de Participatiewet geen grond biedt om ook andere schulden dan die op de woning drukkende hypotheken mee te nemen. De schuld aan de ex-partner en de na de aanvraag gevestigde hypotheek zijn niet relevant voor de vaststelling van het in aanmerking te nemen vermogen.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten en komt niet toe aan het incidenteel hoger beroep.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van het college wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.