ECLI:NL:CRVB:2021:1504
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dat loonsanctiebesluit UWV rechtsgeldig is genomen ondanks intrekking
Appellant, werkzaam als monteur afbouw, meldde zich ziek en vroeg een WIA-uitkering aan. Tevens verzocht hij het UWV om een loonsanctie op te leggen aan zijn werkgever wegens vermeende onvoldoende re-integratie-inspanningen.
Het UWV wees de WIA-uitkering af en stelde dat zowel appellant als werkgever voldoende hadden gedaan aan re-integratie. Het besluit van 7 mei 2018 werd later ingetrokken en vervangen door een besluit van 7 juni 2018 met een gewijzigde datum van geschiktheid voor eigen werk, maar met dezelfde inhoud over de re-integratie.
Appellant stelde dat het UWV niet tijdig en niet op juiste wijze had beslist op zijn verzoek om een loonsanctie. De rechtbank oordeelde echter dat het besluit van 7 mei 2018 wel degelijk een voldoende kenbare beslissing bevatte op dat verzoek. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
De Raad benadrukte dat het intrekken van het besluit van 7 mei 2018 niet betekent dat de beslistermijn opnieuw gaat lopen en dat er geen grond is voor een dwangsom. Ook wees de Raad een vergoeding van de kosten van bezwaar af omdat het bestreden besluit niet is herroepen in de zin van de wet.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV rechtsgeldig heeft beslist op het verzoek om een loonsanctie en verklaart het hoger beroep ongegrond.