ECLI:NL:CRVB:2021:1496
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand na schending inlichtingenverplichting gokactiviteiten
In deze zaak gaat het om de intrekking en herziening van bijstand over de periode januari 2015 tot en met mei 2017. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft de bijstand teruggevorderd tot een bedrag van €22.460,08 omdat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door het niet melden van gokactiviteiten en stortingen op zijn bankrekening.
Het college heeft de stortingen als inkomsten beschouwd en deze in mindering gebracht op de bijstand. Over de maanden waarin het recht op bijstand is ingetrokken vanwege de gokactiviteiten, is onvoldoende duidelijk wat de inkomsten waren, maar dit leidt niet tot de conclusie dat de terugvordering disproportioneel is.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het beroep op de zes-maandenjurisprudentie niet slaagt omdat deze niet van toepassing is bij schending van de inlichtingenverplichting. Het college is verplicht de bijstand terug te vorderen in dergelijke gevallen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam wordt bevestigd en er is geen aanleiding voor een kostenveroordeling.
Uitkomst: De terugvordering van bijstand wegens niet gemelde gokactiviteiten wordt bevestigd als proportioneel.