Uitspraak
19.4676 WLZ
3 oktober 2019, 18/4315 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante, een zorgverlener, had een persoonsgebonden budget (pgb) ontvangen van het zorgkantoor op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het zorgkantoor trok het pgb in en vorderde het onverschuldigd betaalde bedrag terug. Appellante reageerde op de onderzoeksbevindingen, waarna het zorgkantoor een betalingsverzoek deed. Dit leidde tot een besluit waarbij het bezwaar van appellante tegen het betalingsverzoek niet-ontvankelijk werd verklaard omdat de brief geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht was.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond en wees erop dat appellante haar brief als bezwaarschrift tegen het intrekkingsbesluit moest aanmerken. Het zorgkantoor nam daarop alsnog een beslissing op bezwaar die ongegrond werd verklaard. In hoger beroep betoogde appellante dat zij door de handelwijze van het zorgkantoor geen bezwaar kon maken tegen het intrekkingsbesluit, waardoor zij de onderliggende omstandigheden niet kon bestrijden.
De Raad stelde vast dat het procesbelang van appellante zich uitsluitend richtte op het verkrijgen van een proceskostenveroordeling. De Raad oordeelde dat dit op zichzelf geen procesbelang vormt en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk. Tevens werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.