ECLI:NL:CRVB:2021:1409
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Wajong-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na herbeoordeling
Appellante ontving sinds 2007 een Wajong-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. In 2016 stelde het UWV vast dat zij onterecht te veel uitkering had ontvangen over de periode 2011-2012 vanwege inkomsten die zij niet had gemeld. Vervolgens vond een herbeoordeling plaats waarbij een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige de belastbaarheid van appellante vaststelden.
Het UWV besloot in december 2017 dat appellante minder dan 25% arbeidsongeschikt was en beëindigde haar Wajong-uitkering per februari 2018. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep, stellende dat het handhavingsonderzoek aanleiding gaf tot vooringenomenheid bij de artsen, dat haar belastbaarheid niet was verbeterd en dat de geselecteerde functies niet geschikt waren.
De rechtbank oordeelde dat het UWV bevoegd was tot herbeoordeling en dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. Er waren geen aanwijzingen voor vooringenomenheid, de medische en arbeidsdeskundige rapporten waren voldoende gemotiveerd en de beperkingen en begeleidingsbehoefte van appellante waren adequaat in kaart gebracht.
De Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat appellante voldoet aan opleidingsniveau 2 en dat de functies passend zijn. Ook werd geoordeeld dat de thuissituatie buiten beschouwing moet blijven bij de beoordeling van de arbeidsmogelijkheden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de beëindiging van de Wajong-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Wajong-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 25%.