ECLI:NL:CRVB:2021:1353
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing plaatsing op hogere functie medewerker wegens onvoldoende feitelijke werkzaamheden
Appellante heeft een aanvraag ingediend om op grond van de Regeling aanvraag plaatsing op een andere dan de ambtenaar opgedragen functie (RAAF) te worden geplaatst in de functie van medewerker, salarisschaal 6. De korpschef heeft deze aanvraag afgewezen omdat de feitelijk opgedragen werkzaamheden van appellante niet in overwegende mate voldoen aan de niveaubepalende elementen van de functie van Medewerker.
De rechtbank Midden-Nederland verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte haar gronden omtrent de uitleg van de RAAF niet heeft gevolgd en dat de werkzaamheden die zij verrichtte gelijk zouden zijn aan die van de functie Medewerker. De Raad heeft echter geoordeeld dat een terughoudende toetsing niet op haar plaats is en dat de feitelijke werkzaamheden van appellante wezenlijk afwijken van de functie Medewerker.
De Raad onderschrijft het gemotiveerde oordeel van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De afwijzing van de aanvraag tot plaatsing op de hogere functie wordt bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag tot plaatsing op de hogere functie medewerker wordt afgewezen omdat de feitelijke werkzaamheden niet voldoen aan de niveaubepalende elementen.