Uitspraak
19 563 PW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
,kan worden vastgesteld of appellanten over de te beoordelen periode recht hebben op (aanvullende) bijstand.
Centrale Raad van Beroep
Appellanten ontvingen bijstand van juni 2012 tot januari 2017 en emigreerden daarna naar het Verenigd Koninkrijk. Naar aanleiding van anonieme meldingen startte een opsporingsonderzoek dat aanwijzingen opleverde dat appellant schotelantennes installeerde en monteerde, werkzaamheden die op geld waardeerbaar zijn. Dit werd bevestigd door getuigenverklaringen en internetonderzoek.
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam trok de bijstand in en vorderde de ten onrechte ontvangen bedragen terug omdat appellanten de inlichtingenverplichting schonden door deze werkzaamheden niet te melden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat het opsporingsonderzoek en de getuigenverklaringen voldoende feitelijke grondslag boden om vast te stellen dat appellant werkzaamheden verrichtte die normaal gesproken geldelijke beloning opleveren, ongeacht of daadwerkelijk betaling plaatsvond. Omdat appellant geen administratie bijhield, kon niet worden vastgesteld of hij recht had op bijstand. De schending van de inlichtingenverplichting vormde een rechtsgrond voor intrekking en terugvordering.
Appellanten betoogden dat het college het onderzoek niet voortvarend had uitgevoerd, maar dit faalargument faalde omdat zij zelf de meldingsplicht hadden geschonden. De Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en terugvordering van ten onrechte ontvangen bedragen worden bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting.