Appellant ontving sinds 2013 een Wajong-uitkering wegens psychische beperkingen en een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Na de inwerkingtreding van de Wajong 2015 beoordeelde het UWV dat appellant arbeidsvermogen had, waardoor de uitkering werd verlaagd. Appellant maakte bezwaar en het UWV handhaafde het besluit na aanvullend onderzoek en motivering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond vanwege een motiveringsgebrek in het besluit van het UWV, maar handhaafde de rechtsgevolgen. Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat de rechtbank onterecht aannam dat appellant vaardigheden kon ontwikkelen om arbeidsparticipatie te verbeteren.
De Centrale Raad van Beroep beoordeelde het dossier en concludeerde dat de motivering van de verzekeringsarts onvoldoende concreet en overtuigend was. Gezien de diagnoses, het stabiele ziektebeeld en de marginale dagbesteding in de bakkerij van de ouders, achtte de Raad het ontbreken van arbeidsparticipatiemogelijkheden duurzaam. Daarom werd het besluit vernietigd en appellant met ingang van 1 januari 2018 een Wajong-uitkering toegekend. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten.