ECLI:NL:CRVB:2021:1096
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verhoging Wajong-uitkering wegens onvoldoende hulpbehoevendheid
Appellante ontvangt sinds 2008 een Wajong-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, met een uitkering van 75% van het wettelijk minimumloon. Zij verzocht in 2016 om verhoging van haar uitkering vanwege hulpbehoevendheid, maar het UWV wees dit af omdat zij niet voldeed aan de voorwaarden voor verhoging tot 85%.
De rechtbank oordeelde dat appellante weliswaar hulp en controle nodig heeft bij sommige dagelijkse levensverrichtingen, maar niet bij alle of nagenoeg alle essentiële handelingen en dat er geen sprake is van continue oppassing. Controle achteraf werd niet gelijkgesteld aan verzorging. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagde niet, omdat appellante geen gelijke gevallen aannemelijk maakte.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, aangevuld met verklaringen van de woongroep. De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat de Beleidsregel verhoging uitkering bij hulpbehoevendheid correct werd toegepast en dat de noodzakelijke criteria voor verhoging niet waren vervuld. De aanwezigheid van een alarmarmband en een slaapdienst in de woongroep vormden geen bewijs voor continue oppassing.
De Raad concludeerde dat appellante niet in een situatie verkeert die recht geeft op een verhoging van haar uitkering tot 85% van de grondslag. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde vanwege onvoldoende onderbouwing van gelijke gevallen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering tot verhoging van de Wajong-uitkering tot 85% bevestigd.