Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet. Uit onderzoek bleek dat appellant in januari en mei 2013 twee tractoren kocht voor een totaalbedrag van € 73.250,- met geld van een derde, X, zonder dit te melden aan het college. Het college trok de bijstand over die maanden in en vorderde de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerden appellanten aan dat het slechts om een vriendendienst zonder vergoeding ging, waardoor geen op geld waardeerbare activiteiten zouden zijn verricht. De Raad oordeelde echter dat de aankoop van tractoren voor een derde, gezien de aard en omvang, wel degelijk economisch waardeerbare activiteiten zijn, ongeacht het ontbreken van vergoeding.
De Raad bevestigde dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden door dit niet te melden, wat een rechtsgrond vormt voor intrekking van bijstand. Appellanten konden niet aannemelijk maken dat zij recht hadden op bijstand over de betreffende maanden. Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de procedure met ongeveer 15 maanden was overschreden, waardoor een schadevergoeding van € 1.500,- werd toegekend, te verdelen tussen het college en de Staat.
De Raad veroordeelde het college en de Staat tot betaling van elk € 750,- schadevergoeding en tot vergoeding van proceskosten van € 133,50 elk. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.