Uitspraak
17 september 2018, 17/974 tot en met 17/983 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkenen, werkzaam als ambtenaren bij de gemeente Amsterdam, ontvingen een toeslag op basis van de Methode voor het Rangordenen van Inconveniënten (MRI). Het college stelde per 1 juni 2016 vast dat de MRI-klasse ongewijzigd bleef op klasse 1, na een herijkingsonderzoek dat uitging van het in 2012 vastgestelde MRI-formulier.
De rechtbank Amsterdam vernietigde deze besluiten omdat het college volgens haar niet voldeed aan de verplichting om elke drie jaar een volledig nieuw herijkingsonderzoek uit te voeren, inclusief veldonderzoek. De rechtbank vond dat het college onvoldoende had aangetoond dat de omstandigheden ongewijzigd waren.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat artikel 3.14 van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA) van toepassing is en dat het college niet verplicht is om elke drie jaar een volledig nieuw onderzoek te doen als er geen substantiële wijzigingen zijn. Het college heeft volgens de Raad voldoende zorgvuldig onderzoek gedaan, waaronder gesprekken met teamleiders en vergelijking met andere stadsdelen.
De Raad wijst het beroep van betrokkenen af en vernietigt het vonnis van de rechtbank. De vaststelling van MRI-klasse 1 per 1 juni 2016 blijft daarmee in stand. Een toekomstige wijziging van de MRI-klasse per 1 januari 2020 is in deze procedure niet relevant.
Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard en de beroepen van betrokkenen worden ongegrond verklaard, waarbij de vaststelling van MRI-klasse 1 per 1 juni 2016 in stand blijft.