ECLI:NL:CRVB:2020:962
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering Wajong-uitkering zonder onzorgvuldig besluit
Appellant ontving een Wajong-uitkering die op zijn verzoek met terugwerkende kracht per 1 mei 2016 werd beëindigd. Het UWV vorderde het onverschuldigd betaalde bedrag van €1605,60 terug. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. De rechtbank oordeelde dat appellant de uitkering niet achter de hand kan houden zonder tussenkomst van het UWV en dat het besluit zorgvuldig was genomen, mede omdat appellant de gelegenheid had zijn bezwaren te uiten tijdens een hoorzitting en gesprek met een verzekeringsarts.
Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat de argumenten van appellant vooral een herhaling waren van eerdere bezwaren en onderschreef de motivering van de rechtbank dat het besluit niet onzorgvuldig was en dat het verzoek om schadevergoeding niet kon worden toegewezen. Ook werd overwogen dat een overschrijding van de uitspraaktermijn van de rechtbank niet leidt tot vernietiging van de uitspraak.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 16 april 2020.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van de Wajong-uitkering wordt bevestigd zonder toekenning van schadevergoeding.