ECLI:NL:CRVB:2020:890
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing beroep op voortzetting huishoudelijke hulp na 31 december 2014
Appellante ontving op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een persoonsgebonden budget (pgb) voor huishoudelijke hulp tot en met 31 december 2014. Het college stuurde haar een brief waarin werd aangegeven dat er gesprekken zouden volgen over veranderingen in de zorg, maar dat er tot die tijd niets zou veranderen. Appellante diende vervolgens een aanvraag in voor verlenging van het pgb, maar het college besloot niet tijdig. Na diverse procedures werd een maatwerkvoorziening toegekend met ingang van 20 mei 2015.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij op basis van de brief van 25 november 2014 mocht vertrouwen op ongewijzigde voortzetting van de huishoudelijke hulp na 31 december 2014 en dat de maatwerkvoorziening daarom met ingang van 1 januari 2015 had moeten ingaan. De Raad oordeelde dat appellante uit de brief geen gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat de voorziening ongewijzigd zou worden voortgezet, mede gelet op de memorie van toelichting bij de Wmo 2015.
De Raad bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank dat de ingangsdatum van de maatwerkvoorziening terecht is vastgesteld op 20 mei 2015 en wees het verzoek tot schadevergoeding af. Er was geen sprake van een overgangssituatie waarbij de aanspraak automatisch werd voortgezet. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet en het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen.