Uitspraak
18.1371 WIA, 18/4150 WIA
OVERWEGINGEN
35 tot 45%.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontvangt sinds 24 oktober 2013 een WIA-uitkering. Het UWV heeft bij besluiten in 2016 en 2017 de WGA-uitkering herzien en teruggevorderd wegens niet opgegeven inkomsten uit arbeid. Tevens is een boete opgelegd wegens het niet melden van werkzaamheden en inkomsten bij twee werkgevers.
De rechtbank Rotterdam heeft de beroepen van appellant tegen deze besluiten ongegrond verklaard en geoordeeld dat appellant de inlichtingenplicht verwijtbaar heeft geschonden. De rechtbank achtte de boete van € 2.600,- evenredig gezien de ernst van de overtreding.
In hoger beroep voert appellant aan dat het UWV niet bevoegd was tot herziening en terugvordering, dat hij zijn inkomsten niet hoefde door te geven omdat deze via werkgever en Belastingdienst bekend waren, en dat de boete onterecht is. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en bevestigt dat artikel 61 Wet Pro WIA bepalend is voor de verrekening van inkomsten en dat de boete terecht en evenredig is opgelegd.
De Raad wijst de hoger beroepen af en bevestigt de bestreden uitspraken. Er wordt geen veroordeling in de proceskosten uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van de WIA-uitkering en de oplegging van een evenredige boete wegens schending van de inlichtingenplicht.