ECLI:NL:CRVB:2020:765
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling verwijtbare werkloosheid en weigering WW-uitkering per 10 november 2017
Appellant was sinds 1992 in dienst bij de gemeente Putten en nam in 2017 onbetaald zorgverlof om voor zijn zieke moeder te zorgen. Hij vroeg eervol ontslag met terugwerkende kracht per 22 juni 2017. Het UWV kende hem een WW-uitkering toe per die datum, maar weigerde uitbetaling wegens verwijtbare werkloosheid omdat appellant zelf ontslag had genomen zonder dat voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant niet beschikbaar was voor de arbeidsmarkt tussen 23 juni en 10 november 2017. Appellant stelde in hoger beroep dat voortzetting van de dienstbetrekking redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd vanwege zijn intensieve zorgtaken en de onwelwillende houding van de werkgever.
De Raad overwoog dat de werkgever appellant diverse mogelijkheden bood om zorgverlof op te nemen en dat appellant bewust koos om voltijds voor zijn moeder te zorgen zonder professionele hulp. Er was geen noodzaak om met terugwerkende kracht ontslag te vragen. De Raad concludeerde dat appellant verwijtbaar werkloos was vanaf 10 november 2017, de dag na het overlijden van zijn moeder, en dat de WW-uitkering vanaf die datum niet tot uitbetaling komt.
Het bestreden besluit werd vernietigd en het beroep gegrond verklaard. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Het recht op WW-uitkering per 10 november 2017 komt niet tot uitbetaling wegens verwijtbare werkloosheid.