Uitspraak
18.3141 WIA
OVERWEGINGEN
.De rechtbank is terecht ervan uitgegaan dat het aan het Uwv is, indien sprake is van toegenomen beperkingen, sluitend te onderbouwen dat sprake is van een andere ziekteoorzaak.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als productiemedewerker, meldde zich in 2007 ziek met psychische en fysieke klachten. In 2009 werd hem een WIA-uitkering toegekend met 100% arbeidsongeschiktheid, die in 2013 werd beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Appellant gaf in 2016 aan dat zijn gezondheid per mei 2015 was verslechterd, met name door rugklachten en depressie.
Het UWV voerde medisch onderzoek uit en concludeerde dat de beperkingen niet waren toegenomen en dat de rugklachten een andere oorzaak hadden dan in 2013. Op basis hiervan weigerde het UWV een nieuwe WIA-uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV zijn bewijslast had voldaan.
In hoger beroep stelde appellant dat het medisch onderzoek onvoldoende was en dat zijn klachten waren verergerd. De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het UWV, oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de medische rapporten voldoende aannemelijk maakten dat de beperkingen niet waren toegenomen en dat de rugklachten niet dezelfde oorzaak hadden.
De Raad benadrukte dat volgens vaste rechtspraak eerst moet worden vastgesteld of er sprake is van toegenomen beperkingen voordat wordt gekeken naar de oorzaak. De medische gegevens en rapporten van verzekeringsartsen werden als sluitend beoordeeld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het UWV hoeft geen WIA-uitkering toe te kennen per 1 mei 2015.