Appellant ontving bijstand als alleenstaande met een toeslag van 20%. Na inschrijving van een medebewoner X op hetzelfde adres paste het college de toeslag aan naar 10% en stelde dat sprake was van een gezamenlijke huishouding, waardoor het inkomen van X bij de bijstandsnorm werd betrokken. Het college vorderde te veel betaalde bijstand terug en verklaarde bezwaren ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat onvoldoende feitelijke grondslag bestond voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding en dat het overgangsrecht ten onrechte was toegepast. De Raad oordeelde dat appellant en X wel degelijk een gezamenlijke huishouding voerden, waarbij wederzijdse zorg werd vastgesteld op basis van objectieve criteria zoals gezamenlijke kosten en gebruik van levensmiddelen.
De Raad vernietigde het besluit voor de periode 1 januari 2015 tot en met 30 juni 2015, herrekende de bijstand als voor een alleenstaande zonder kostendelers en bepaalde dat het college een nieuwe beslissing moest nemen over de terugvordering. Tevens kende de Raad appellant een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelde het college in de proceskosten en wettelijke rente.