ECLI:NL:CRVB:2020:4
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering socialezekerheidsuitkeringen wegens gefingeerd dienstverband
Appellante ontving van 2010 tot 2016 uitkeringen op grond van de Ziektewet (ZW), Wet arbeid en zorg (WAZO) en Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) stelde een onderzoek in naar de rechtmatigheid van deze uitkeringen en concludeerde dat appellante nooit daadwerkelijk in dienst was bij de vermeende werkgever, maar dat sprake was van een gefingeerd dienstverband.
Op basis van dit onderzoek trok het Uwv de uitkeringen in en vorderde de onverschuldigd betaalde bedragen terug. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij wel degelijk gewerkt had en verwees naar getuigenverklaringen en de vrijspraak van haar echtgenoot in een strafzaak. De rechtbank had echter geoordeeld dat het Uwv voldoende feitelijke grondslag had en dat de vrijspraak van de echtgenoot niet leidde tot een ander oordeel.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en oordeelde dat het Uwv aannemelijk had gemaakt dat appellante niet werkzaam was. De Raad overwoog tevens dat de onschuldpresumptie uit artikel 6 EVRM Pro niet werd geschonden door het bestuursrechtelijke oordeel, omdat de bewijsstandaarden verschillen en het bestuursorgaan slechts aannemelijkheid hoeft aan te tonen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van de uitkeringen bevestigd.