ECLI:NL:CRVB:2020:3438
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemeld bezit onroerend goed in Turkije
Appellant ontving sinds 1990 bijstand en stond ingeschreven op een adres dat eigendom was van zijn broer. Na een anonieme melding en onderzoek bleek appellant niet woonachtig op het opgegeven adres en beschikte hij mogelijk over onroerend goed in Turkije.
Een onderzoek door het Bureau Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade in Ankara toonde aan dat appellant belastingaangiftes had ingediend voor zes woningen en zeven werkplaatsen in Turkije, waarvan hij gedeeltelijk of volledig eigenaar was. Het college trok de bijstand in en vorderde kosten terug over de periode 1992 tot 2012 wegens het niet melden van dit vermogen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat niet onomstotelijk was vastgesteld dat hij eigenaar was van de onroerende zaken, maar de Raad oordeelde dat registratie in het OZB-register in Turkije de eigendom aannemelijk maakt. Appellant slaagde er niet in het tegendeel aannemelijk te maken.
De Raad bevestigde dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door het bezit niet te melden, waardoor het recht op bijstand op nihil moet worden gesteld. Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd wegens het niet melden van bezit van onroerend goed.