ECLI:NL:CRVB:2020:3415
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening ongehuwdenpensioen naar pensioen voor gehuwden wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving een AOW-uitkering als ongehuwde, maar de Sociale Verzekeringsbank (Svb) herzag deze naar een pensioen voor gehuwden of samenwonenden op grond van een gezamenlijke huishouding met A vanaf 19 juli 2001. Dit werd onderbouwd met ingevulde formulieren en een huisbezoek waarbij een checklist werd opgesteld die door appellant was ondertekend.
Appellant voerde aan dat hij in de betwiste periode niet op hetzelfde adres woonde als A en dat er geen sprake was van wederzijdse zorg, maar de Raad stelde vast dat de feitelijke gegevens en financiële verstrengeling voldoende waren om van een gezamenlijke huishouding te spreken. De huurovereenkomst en commerciële relatie tussen appellant en A stonden dit niet in de weg.
Verder wees de Raad het beroep af dat er dringende redenen zouden zijn om terugvordering van het te veel ontvangen pensioen achterwege te laten, omdat appellant onvoldoende aannemelijk maakte dat de terugvordering onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen zou hebben.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, waarmee de herziening en terugvordering rechtsgeldig zijn.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt afgewezen en het herzienings- en terugvorderingsbesluit van de Svb wordt bevestigd.