ECLI:NL:CRVB:2020:3395
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens overschrijding vermogensgrens door immateriële schadevergoeding
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet, waarbij haar vermogen aanvankelijk nihil was vastgesteld. Na toekenning van een immateriële schadevergoeding van €36.630,- wegens onterechte voorlopige hechtenis, werd dit bedrag grotendeels aan haar uitgekeerd. Het college van burgemeester en wethouders trok daarop de bijstand in en vorderde een deel terug, omdat het totale vermogen de vrij te laten grens van €5.940,- overschreed.
Het college rekende één derde van de schadevergoeding niet tot het vermogen, wat zij verantwoord achtte vanuit het oogpunt van bijstandsverlening. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze maatregel ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat het college onredelijk handelde door niet meer van de vergoeding vrij te laten, mede gezien haar persoonlijke omstandigheden en de noodzaak om een woning te verwerven.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college binnen de grenzen van redelijke wetsinterpretatie bleef door slechts een derde van de vergoeding vrij te laten. Het college had geen beleidsregels, maar sloot aan bij eerdere jurisprudentie en hield rekening met het minimumbehoefte- en complementaire karakter van de bijstand. De wens van appellante om de vergoeding te gebruiken voor woonruimte was niet doorslaggevend, omdat huisvestingskosten tot de noodzakelijke kosten van het bestaan behoren.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van bijstand wegens overschrijding van de vermogensgrens door de immateriële schadevergoeding.