ECLI:NL:CRVB:2020:3281
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag Ziektewetuitkering wegens ontbreken toename arbeidsongeschiktheid
Appellant was sinds oktober 2009 werkzaam als horecamedewerker en meldde zich in december 2015 met terugwerkende kracht ziek per februari 2013 vanwege neurologische klachten na een operatie aan een brughoektumor in september 2009. Het dienstverband eindigde in januari 2014.
Het UWV stelde bij besluit van maart 2016 vast dat appellant per de eerste ziektedag, 15 september 2009, geen recht had op ziekengeld omdat hij toen niet in dienst was. Appellant maakte bezwaar en stelde dat er na oktober 2009 een toename van klachten en beperkingen was. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard op basis van een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep.
De rechtbank bevestigde dit oordeel en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen aanwijzingen waren voor een verslechtering van de medische situatie of toename van arbeidsongeschiktheid. In hoger beroep herhaalde appellant zijn gronden, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef de motivering van de rechtbank en bevestigde de afwijzing van de uitkering.
De Raad vond geen aanleiding voor een andere beoordeling en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 23 december 2020.
Uitkomst: De aanvraag van appellant om een Ziektewetuitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van een toename van arbeidsongeschiktheid.