ECLI:NL:CRVB:2020:3271
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mate van arbeidsongeschiktheid en zorgvuldigheid medisch onderzoek bij WIA-uitkering
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het Uwv waarin de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per 26 januari 2016 is vastgesteld op 77,13%. Hij voerde aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn psychische en neurologische klachten onvoldoende waren meegewogen.
De Raad heeft overwogen dat appellant voldoende gelegenheid heeft gehad om medische gronden in te dienen en dat hij door zijn eigen gedragingen het onderzoek heeft belemmerd, onder meer door het verstrekken van geanonimiseerde medische stukken en het niet beschikbaar stellen van relevante rapporten. De medische stukken die appellant in hoger beroep overlegt, geven geen aanleiding om het oordeel van het Uwv te herzien.
Verder is vastgesteld dat appellant heeft afgezien van een hoorzitting en dat het Uwv op goede gronden geen hoorzitting heeft gehouden. De Raad concludeert dat de mate van arbeidsongeschiktheid en het verdienvermogen juist zijn vastgesteld en dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht is vastgesteld op 77,13% en verklaart het hoger beroep ongegrond.