Uitspraak
19.4895 WW
OVERWEGINGEN
Verzoeker heeft in zijn verzoek om herziening gesteld dat de Raad ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Centrale Raad van Beroep
Verzoeker heeft bij brief van 9 maart 2015 het UWV verzocht om schadevergoeding wegens onrechtmatige besluiten. Na een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit en een uitspraak van de rechtbank die het UWV opdroeg binnen twaalf weken te beslissen, heeft de Centrale Raad van Beroep op 11 november 2019 deze uitspraak bevestigd en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Verzoeker heeft vervolgens een verzoek om herziening ingediend, stellende dat de Raad ten onrechte geen oordeel gaf over een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad oordeelt dat herziening alleen mogelijk is bij nieuwe feiten of omstandigheden die voorheen niet bekend waren en die tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden.
Ter zitting erkende verzoeker dat het ging om een standpunt in een andere procedure en dat er geen nieuw feit in de zin van artikel 8:119 Awb Pro was gesteld. Daarom is niet voldaan aan de voorwaarden voor herziening. Het verzoek om herziening wordt afgewezen zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek om herziening van de uitspraak van 11 november 2019 wordt afgewezen wegens het ontbreken van een nieuw feit.