ECLI:NL:CRVB:2020:3139
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- J.P.M. Zeijen
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering WW- en ZW-uitkeringen wegens ontbreken privaatrechtelijke dienstbetrekking
Appellante ontving tussen juni 2013 en februari 2017 uitkeringen op grond van de WW en ZW, gebaseerd op een vermeend dienstverband met een uitzendbureau. Het UWV voerde een onderzoek uit, waarbij onder meer een arbeidsovereenkomst uit 2003 werd betwist vanwege onjuiste gegevens en valse handtekeningen. Appellante kon tijdens verhoor en in hoger beroep geen concrete details geven over haar werkzaamheden, leidinggevende functie of werkplekken.
Het UWV trok de uitkeringen in en vorderde deze terug wegens het ontbreken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het UWV voldoende aannemelijk had gemaakt dat geen dienstverband bestond en appellante dit niet met objectief bewijs had weerlegd.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt, ondersteund door getuigenverklaringen die echter onvoldoende concreet en deels tegenstrijdig waren. De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het UWV aannemelijk had gemaakt dat geen dienstbetrekking bestond. De arbeidsovereenkomst was vals, het loon kwam niet overeen met de betalingen en de getuigenverklaringen boden geen overtuigend tegenbewijs.
De Raad oordeelde dat de intrekking en terugvordering van de uitkeringen terecht waren en wees het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente af. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de WW- en ZW-uitkeringen zijn terecht omdat geen dienstbetrekking bestond.