ECLI:NL:CRVB:2020:3129
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
WW-uitkering geweigerd wegens recht op loondoorbetaling bij detacheringsovereenkomst
Appellant was als uitzendkracht werkzaam bij een werkgever onder een detacheringsovereenkomst in fase A en was gedeeltelijk arbeidsongeschikt. Het UWV weigerde een WW-uitkering per 12 september 2016 omdat appellant volgens hen recht had op doorbetaling van loon op grond van de cao ABU en artikel 7:629 BW Pro.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen het tweede besluit af. De rechtbank oordeelde dat de werkgever gehouden was tot loondoorbetaling, waardoor geen recht op WW-uitkering bestond.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel en verbeterde de motivering door te stellen dat artikel 19 WW Pro niet van toepassing was. De Raad oordeelde dat het UWV terecht het recht op WW-uitkering heeft geweigerd omdat appellant recht had op loonbetaling en dat het gebrek in motivering niet tot benadeling van appellant heeft geleid.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De WW-uitkering per 12 september 2016 wordt geweigerd omdat appellant recht had op loondoorbetaling op grond van zijn detacheringsovereenkomst.