ECLI:NL:CRVB:2020:306
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing bezwaar tegen WIA-uitkeringsbesluit en toerekening Whk-premie
Appellante, een werkgever, maakte bezwaar tegen een besluit van het UWV waarbij een loongerelateerde WIA-uitkering aan een voormalig werknemer was toegekend. Deze uitkering werd meegenomen in de berekening van de gedifferentieerde Werkhervattingskas-premie (Whk) voor flexwerkers, wat financiële consequenties had voor appellante.
Het bezwaar werd door het UWV niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding, en latere verzoeken tot herziening werden eveneens afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante niet-ontvankelijk en oordeelde dat de toerekening van de WGA-uitkering aan de Whk-premie geen nieuw feit of veranderde omstandigheid vormde die herziening rechtvaardigde.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het UWV onjuiste mededelingen had gedaan waardoor zij haar bezwaar had ingetrokken en dat zij geen eigenrisicodrager kon zijn voor de WGA-uitkering van een flexwerker. De Raad overwoog dat deze argumenten onvoldoende waren om het besluit te herzien, bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
De Raad benadrukte dat appellante eerder op de hoogte was van de gevolgen van de WIA-uitkering voor de Whk-premie en dat zij toen de gronden had kunnen aanvoeren. Er was geen sprake van een evident onredelijk besluit of nieuw gebleken feit. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 13 februari 2020.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.