ECLI:NL:CRVB:2020:2994
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herroeping beëindiging recht op ziekengeld wegens onzorgvuldige besluitvorming UWV
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV van 5 april 2016 waarbij zijn recht op ziekengeld werd beëindigd per 22 mei 2016. Na eerdere vernietiging van een rechtbankuitspraak door de Raad werd het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard door het UWV.
De Raad constateerde dat het UWV het eerder vastgestelde zorgvuldigheidsgebrek serieus heeft geprobeerd te herstellen, maar dat door het tijdsverloop en een tweede ernstig ongeval van appellant in 2018 een volledige heroverweging niet meer mogelijk was. Dit mocht echter niet ten koste gaan van appellant.
De Raad oordeelde dat het recht op ziekengeld ten onrechte was beëindigd en vernietigde het bestreden besluit. Met toepassing van artikel 8:72 Awb Pro herroept de Raad het besluit van 5 april 2016, waardoor het recht op ziekengeld doorloopt tot het einde van de wachttijd van 104 weken. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het recht op ziekengeld is ten onrechte beëindigd en wordt hersteld tot het einde van de wachttijd van 104 weken.