ECLI:NL:CRVB:2020:2981
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van arbeidsongeschiktheidsbeoordeling en begeleidingsbehoefte WIA-uitkering
Appellante, voormalig magazijnmedewerkster, meldde zich in 2009 ziek met psychische klachten. Het UWV stelde in 2011 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees haar WIA-uitkering af. Na bezwaar en beroep werd deze beslissing bevestigd, waarbij een lichte vorm van begeleiding werd vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 16 februari 2012.
In 2016 vroeg appellante terugkomen op het eerdere besluit vanwege vermeende toegenomen arbeidsongeschiktheid en een verhoogde begeleidingsbehoefte, mede onderbouwd met een CIZ-indicatie en rapporten van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige. Het UWV handhaafde het eerdere oordeel dat de beperkingen ongewijzigd waren en dat de lichte begeleidingsvorm volstond.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de CIZ-indicatie niet leidend is voor de WIA-beoordeling. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel, stelde dat de medische gegevens geen aanleiding geven tot een intensievere begeleiding dan in 2012 vastgesteld en verwierp het beroep van appellante op beschut werk en toegenomen arbeidsongeschiktheid.
Het hoger beroep slaagde niet, en de Raad bevestigde de eerdere uitspraak zonder proceskosten toe te kennen. De beslissing werd genomen door M.E. Fortuin op 25 november 2020.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak wordt bevestigd.