ECLI:NL:CRVB:2020:294
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over verzekerde tijdvakken AOW bij tijdelijke arbeidsonderbreking door ziekte
Appellant, geboren in 1951 en werkzaam geweest in Nederland, werd in 1991 ziek en keerde terug naar Marokko, waarna hij niet meer in Nederland werkte. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende hem vanaf april 2017 een AOW-pensioen toe met een korting van 96% vanwege niet-verzekerde perioden. Appellant stelde dat de verzekerde periode langer was, tot oktober 1992, omdat zijn arbeidsonderbreking tijdelijk was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep oordeelt de Raad dat de tijdelijke onderbreking van arbeid wegens ziekte voortduurde tot 5 oktober 1992, op basis van relevante verklaringen en besluiten. Hierdoor is de niet-verzekerde periode korter en wordt het pensioen met 94% gekort, wat neerkomt op een AOW-pensioen van 6%.
Verder beoordeelde de Raad of de opschuiving van de AOW-leeftijd een onevenredig zware last voor appellant vormt. Na een individueel feitenonderzoek concludeert de Raad dat dit niet het geval is, mede omdat appellant geen inkomen of vermogen had en door familie werd onderhouden.
De Raad vernietigt het bestreden besluit, kent appellant een AOW-pensioen van 6% toe vanaf april 2017 en wijst het verzoek om schadevergoeding toe in de vorm van wettelijke rente. Tevens wordt de Svb veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en appellant krijgt een AOW-pensioen van 6% met wettelijke rente vanaf april 2017 toegekend.