ECLI:NL:CRVB:2020:2850
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste berekening winst uit onderneming voor vaststelling toeslag
Appellant ontving een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) naast een WW-uitkering. Na beëindiging van de WW-uitkering stelde het UWV de toeslag over 2016 definitief vast op basis van de winst uit onderneming, gelijkelijk verdeeld over twaalf maanden. Appellant maakte bezwaar tegen deze berekeningswijze en stelde dat alleen de winst tot september 2016 meegenomen had moeten worden.
De rechtbank oordeelde dat het UWV de juiste wettelijke methode had toegepast, waarbij de winst uit onderneming volgens het Inkomensbesluit over het kalenderjaar gelijkelijk wordt toegerekend aan de maanden. De rechtbank wees het bezwaar af omdat appellant geen dringende reden voor terugvordering had aangetoond.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad bevestigde dat het UWV de wettelijk voorgeschreven berekeningsmethode toepaste en dat het beroep van appellant onvoldoende aanleiding gaf tot een ander oordeel. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.