ECLI:NL:CRVB:2020:2846
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziekengeld en weigering WIA-uitkering na onvoldoende wachttijd
Appellante, voormalig tuinbouwmedewerkster, meldde zich ziek met zwangerschaps- en bekkenklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde deze omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht en de wachttijd van 104 weken niet was voltooid. Na een medisch en arbeidskundig onderzoek werd haar recht op ziekengeld beëindigd per 3 april 2016.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld. Het verzoek om een onafhankelijk deskundige werd afgewezen. Appellante stelde in hoger beroep dat de rechtbank onterecht dit verzoek had afgewezen en dat er sprake was van een oneerlijk proces, maar de Raad volgde de rechtbank en vond geen aanleiding voor benoeming van een onafhankelijke deskundige.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht het ziekengeld beëindigde en de WIA-uitkering weigerde omdat appellante de vereiste wachttijd niet had voltooid. Tevens werd vastgesteld dat appellante voldoende computervaardigheden bezit voor de voorgestelde functies. De procedure duurde ruim vier jaar en zeven maanden, wat een overschrijding van de redelijke termijn betekent, waarvoor de Staat een schadevergoeding van €1.000,- moet betalen. De Staat wordt ook veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het UWV heeft terecht het ziekengeld beëindigd en de WIA-uitkering geweigerd.