ECLI:NL:CRVB:2020:2829
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-loonaanvullingsuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante, voormalig caissière, ontving een WGA-loonaanvullingsuitkering die het UWV met ingang van 20 september 2016 beëindigde wegens een vastgestelde arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.
Na bezwaar en beroep werd een onafhankelijke verzekeringsarts en arbeidsdeskundige ingeschakeld die de beperkingen van appellante beoordeelden. De deskundige concludeerde dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 29 juli 2016 juist waren vastgesteld en dat appellante geschikt was voor de geselecteerde functies.
Appellante voerde aan dat haar aandoeningen progressief zijn en dat zij meer beperkingen heeft dan vastgesteld, maar kon geen nieuwe medische informatie overleggen die het oordeel van de deskundige onderbouwde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad volgde het oordeel van de deskundige omdat dit zorgvuldig en overtuigend was gemotiveerd.
De uitkering is terecht beëindigd omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is, en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-loonaanvullingsuitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.