ECLI:NL:CRVB:2020:2734
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen opvolgend werkgeverschap en geen dienstverband voor onbepaalde tijd
Appellante was op basis van verschillende tijdelijke arbeidsovereenkomsten en detacheringen werkzaam bij de gemeente en een andere werkgever over een periode van 2015 tot 2018. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente beëindigde haar tijdelijke aanstelling per 1 april 2018. Appellante stelde dat zij op grond van opvolgend werkgeverschap recht had op een dienstverband voor onbepaalde tijd.
De rechtbank oordeelde dat de functies die appellante vervulde wezenlijk van elkaar verschillen en dat er geen sprake is van opvolgend werkgeverschap. De keten van tijdelijke aanstellingen was daardoor onderbroken, waardoor geen vast dienstverband is ontstaan. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en voegt toe dat de verschillen in wettelijke kaders, doelgroepen en werkzaamheden tussen de functies dit standpunt ondersteunen.
Verder is van belang dat appellante op eigen initiatief solliciteerde naar de latere functie en dat de gemeente niet als opvolger van de vorige werkgever kan worden beschouwd. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Geen opvolgend werkgeverschap, dus geen dienstverband voor onbepaalde tijd.