Uitspraak
18.1319 PW-PV, 18/5936 PW-PV
P.W. van Straalen als voorzitter en W.F. Claessens en E.C.G. Okhuizen als leden
Centrale Raad van Beroep
De Centrale Raad van Beroep behandelde het hoger beroep tegen uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland inzake de intrekking van bijstand en terugvordering van kosten over de periode van 21 februari 2005 tot en met 20 december 2015.
Appellanten hadden een 1/6 aandeel in een onroerende zaak in Turkije, welke zij niet hadden gemeld. Zij stelden dat zij feitelijk niet over dat aandeel konden beschikken, maar konden dit niet met concrete en verifieerbare gegevens onderbouwen. Hierdoor werd aangenomen dat zij wel over het aandeel konden beschikken en zij hun inlichtingenverplichting hadden geschonden.
Het college had een taxatie laten uitvoeren, maar deze betrof een periode na de te beoordelen periode en gaf geen inzicht in de waarde tijdens de relevante jaren. Appellanten hadden ervoor gekozen geen taxatie te laten maken die de waarde in de beoordelingsperiode zou weergeven. Hierdoor kon geen juiste vermogensvaststelling plaatsvinden en was ook geen oordeel over de evenredigheid van de terugvordering mogelijk.
De Raad zag geen reden om een fictieve vermogensvaststelling te hanteren op basis van de OZB-waarde uit latere jaren. Gezien het ontbreken van inzicht in waardeontwikkeling, nalatenschap en huurinkomsten werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraken bevestigd.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van bijstand en terugvordering wegens het niet melden van een aandeel in een onroerende zaak.