ECLI:NL:CRVB:2020:2691
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet-gemelde gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande en meldde in mei 2017 dat appellant bij haar kwam wonen en zij zouden gaan trouwen. Het college beëindigde daarop de bijstand en startte een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand na een anonieme melding over eerdere samenwoning.
Het onderzoek bestond uit dossieronderzoek, verhoren, getuigenverklaringen, waarnemingen en camera-observaties. Het college concludeerde dat appellanten vanaf 1 januari 2014 een gezamenlijke huishouding voerden, terwijl dit niet was gemeld, en trok de bijstand met terugwerkende kracht in.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en in hoger beroep bevestigde de Raad dit oordeel. De Raad oordeelde dat de verklaringen van appellante rechtsgeldig waren afgelegd, dat het bewijs van gezamenlijke huishouding toereikend was en dat het college terecht de bijstand introk en terugvorderde. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.