ECLI:NL:CRVB:2020:2643
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens onduidelijke financiële situatie en onvoldoende bewijs
Appellant en zijn ex-echtgenote X dienden gezamenlijk een aanvraag om bijstand in, waarbij appellant vanaf 1 januari 2018 bij vrienden en familie zou hebben gewoond en door hen in het levensonderhoud werd voorzien. Het college stelde de aanvraag buiten behandeling wegens ontbrekende bewijsstukken, waarna de rechtbank het college terecht corrigeerde en zelf in de zaak voorzag door de aanvraag af te wijzen wegens onvoldoende duidelijkheid over de financiële situatie van appellant.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij voldoende aannemelijk had gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde, onder meer door een verklaring van zijn neef die hem onderdak en eten zou hebben verschaft. De Raad oordeelde echter dat deze verklaring onvoldoende was onderbouwd met objectieve en verifieerbare stukken en dat er tegenstrijdigheden waren in de verklaringen over zijn verblijfplaats.
De Raad bevestigde dat het college onterecht de aanvraag buiten behandeling had gesteld, maar vond dat de rechtbank terecht zelf in de zaak had voorzien op grond van artikel 8:41a Awb. Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek tot vergoeding van schade en proceskosten werd eveneens verworpen.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijk gemaakte wijze van levensonderhoud en onduidelijke financiële situatie.