ECLI:NL:CRVB:2020:261
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging disciplinaire maatregel wegens plichtsverzuim ambtenaar RIVM
Appellante, werkzaam als adviseur bij het RIVM, werd geconfronteerd met disciplinaire maatregelen wegens vermeend plichtsverzuim tijdens haar ziekteperiode en re-integratieproces. Na gesprekken over haar functioneren en een dienstopdracht om te verschijnen bij de bedrijfsarts, meldde zij zich ziek via haar partner. Op 3 maart 2015 was zij niet aanwezig op het opgegeven verpleegadres zonder dit vooraf te melden, en verscheen zij zonder bericht van verhindering niet op het spreekuur van de vervangend bedrijfsarts op 20 april 2015.
De minister legde haar aanvankelijk voorwaardelijk ontslag op, dat later werd omgezet in een schriftelijke berisping, de lichtste disciplinaire straf. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de dienstopdracht niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen de straf af. Appellante voerde onder meer aan dat de waarschuwing in de dienstopdracht wel rechtsgevolg had en dat de spoedcontrole oneigenlijk was gebruikt.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de waarschuwing in de dienstopdracht geen uitdrukkelijke vaststelling van plichtsverzuim bevatte en slechts een normaal sturingsmiddel was. Verder stelde de Raad vast dat appellante zich aan plichtsverzuim had schuldig gemaakt door niet op het verpleegadres aanwezig te zijn zonder melding en door het niet verschijnen op het spreekuur zonder bericht. De Raad achtte de opgelegde schriftelijke berisping niet onevenredig en bevestigde de eerdere uitspraken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de opgelegde schriftelijke berisping wegens plichtsverzuim.