ECLI:NL:CRVB:2020:2597
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot herziening WIA-besluiten wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant, werkzaam als meewerkend bedrijfsleider, meldde zich in 2006 ziek en ontving sindsdien een Ziektewetuitkering. Na een verkeersongeval in 2008 werkte hij slechts beperkt. Het UWV kende hem een IVA-uitkering toe met een vastgesteld dagloon, waartegen appellant bezwaar maakte. Diverse verzoeken tot herziening van het dagloon en de referteperiode werden door het UWV afgewezen, waarbij de rechtbank en de Raad deze besluiten bevestigden.
In 2018 diende appellant een nieuw verzoek in om terug te komen op eerdere besluiten, stellende dat het UWV zijn re-integratietaak niet correct had uitgevoerd en dat daardoor zijn uitkering te laag was vastgesteld. Dit verzoek werd afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden en omdat het besluit niet evident onredelijk was.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank in haar oordeel dat appellant geen nieuwe feiten had aangevoerd en dat het UWV terecht het herzieningsverzoek had afgewezen. Tevens wees de Raad het verzoek om schadevergoeding af en bevestigde daarmee de eerdere uitspraak. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.