Uitspraak
19 3201 AW, 19/3284 AW, 20/2078 AW
12 juli 2019, 18/5589 (aangevallen uitspraak) en het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, ambtenaar met beperkingen aan rechterhand en -arm sinds een ongeval in 1983, werkte vanaf 1998 bij een dienst en later bij een regiodienst. Na toegenomen klachten meldde hij zich ziek in 2011 en vroeg een WIA-uitkering aan die in 2013 werd afgewezen wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid. In 2018 verleende het dagelijks bestuur eervol ontslag wegens volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid, maar weigerde een aanvullende uitkering op grond van artikel 7:5 CAR Pro/UWO.
De rechtbank stelde dat de arbeidsongeschiktheid deels door de werkzaamheden werd veroorzaakt en dat het dagelijks bestuur zijn zorgplicht had geschonden, waardoor schadevergoeding werd toegewezen. Het dagelijks bestuur en betrokkene gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst zoals bedoeld in artikel 7:5 CAR Pro/UWO. De bedrijfsarts beschikte in januari 2014 nog niet over alle relevante rapporten, maar betrokkene had toen nog administratieve ondersteuning. De Raad acht het niet bewezen dat de werkzaamheden de oorzaak waren van de toegenomen arbeidsongeschiktheid. Ook is geen schending van de zorgplicht vastgesteld. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
De aangevallen uitspraak wordt vernietigd, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Het betaalde griffierecht wordt aan betrokkene terugbetaald.
Uitkomst: Het beroep tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.