ECLI:NL:CRVB:2020:2060
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging buitenlandbijdrage voor echtgenote op grond van verdragsgerechtigdheid
Appellant is getrouwd met een echtgenote die sinds 2007 in Spanje woont. Hij woonde tot 1 juli 2015 in Nederland en vestigde zich daarna in Spanje bij zijn echtgenote. Het CAK stelde een buitenlandbijdrage vast voor de periode januari tot en met juni 2015, welke appellant betwistte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat de echtgenote verdragsgerechtigd was op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004 en recht had op zorg in Spanje ten laste van Nederland.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn echtgenote haar recht op zorg door administratieve fouten niet kon effectueren en dat het onrechtmatig is een bijdrage te betalen zonder dat daar een recht op prestaties tegenover staat. De Raad oordeelde dat de buitenlandbijdrage dwingend is voorgeschreven in artikel 69, tweede lid, van de Zvw voor verdragsgerechtigden. Het feit dat de zorg niet effectief kon worden ontvangen, doet hieraan niet af.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees erop dat eventuele schadevergoeding wegens administratieve fouten bij de betreffende instanties moet worden gezocht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De buitenlandbijdrage voor de echtgenote is terecht verschuldigd, ondanks dat het recht op zorg niet effectief kon worden gerealiseerd.