ECLI:NL:CRVB:2020:205
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAZO- en ZW-uitkering wegens ontbreken dienstbetrekking
Appellante had een WAZO- en ZW-uitkering ontvangen op grond van een vermeend dienstverband bij een uitzendbureau. Het UWV stelde na onderzoek vast dat zij nooit werkzaam was geweest voor dit uitzendbureau en trok de uitkeringen in met terugvordering van onverschuldigde bedragen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat het UWV voldoende aannemelijk had gemaakt dat er geen dienstbetrekking was. Appellante voerde in hoger beroep aan dat er wel een privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond, onderbouwd met een arbeidsovereenkomst en loonstroken, en verwees naar een sepot in haar strafzaak waarin onvoldoende bewijs werd geconstateerd voor valsheid in geschrifte.
De Raad beoordeelde dat het UWV zijn bewijslast had voldaan en appellante onvoldoende tegenbewijs had geleverd. De Raad overwoog dat de minder strenge bewijsregels in bestuursrechtelijke procedures het UWV in staat stellen om de uitkeringen in te trekken ondanks het sepot in de strafzaak. Er was een voldoende verband tussen de strafzaak en de bestuursrechtelijke procedure, maar het sepot roept geen twijfel op over de juistheid van het bestuursrechtelijke besluit.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van de WAZO- en ZW-uitkeringen worden bevestigd.