ECLI:NL:CRVB:2020:1911
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek bevestigd
Appellante, werkzaam als klantcontactpersoon, viel in 2014 uit wegens pijnklachten en burn-out. Na een periode van ziekte en werkhervatting vroeg zij een WIA-uitkering aan. Het UWV kende haar een loongerelateerde WGA-uitkering toe met 37% arbeidsongeschiktheid. De werkgever maakte bezwaar, waarna het UWV een besluit nam dat appellante per 15 augustus 2016 geschikt was voor haar maatgevende functie en per 27 oktober 2016 minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
Appellante ging in beroep tegen dit besluit, stellende dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en haar beperkingen werden onderschat. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de verzekeringsartsen de beperkingen juist hadden vastgesteld. In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank.
De Raad overwoog dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig was, dat er geen aanwijzingen waren voor strijd met de MAOC-richtlijn en dat de beperkingen medisch verantwoord waren vastgesteld. De Raad bevestigde dat appellante geschikt was voor passende functies en dat de WIA-uitkering terecht was beëindigd. Er werd geen aanleiding gezien om een deskundige in te schakelen of het besluit te herzien.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WIA-uitkering terecht is beëindigd na zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek.