ECLI:NL:CRVB:2011:BT8675
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellante viel uit wegens gezondheidsklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Een verzekeringsarts stelde vast dat er geen medisch aantoonbare beperkingen waren, behalve bronchiale hyperactiviteit, en stelde een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op. Het UWV weigerde de uitkering op basis van deze bevindingen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en onderschreef het medisch en arbeidskundig onderzoek.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat de beperkingen onjuist waren ingeschat en dat de FML geen reëel beeld gaf. Zij bracht aanvullende medische rapporten in, waaronder van internist-infectiologen en internisten. De Raad oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen objectieve medische gegevens waren die de beperkingen van appellante voldoende onderbouwden.
De Raad overwoog dat volgens vaste rechtspraak arbeidsongeschiktheid alleen kan worden aangenomen bij objectief medisch vastgestelde ongeschiktheid. De Maoc-richtlijn verplicht verzekeringsartsen serieus te onderzoeken of subjectieve klachten een medisch substraat hebben. Dit was gebeurd, maar er werden geen wezenlijke afwijkingen geobjectiveerd. De Raad concludeerde dat appellante niet voldeed aan de criteria voor arbeidsongeschiktheid en bevestigde het bestreden besluit.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering aan appellante.