Uitspraak
18.711 PW, 18/712 PW, 18/713 PW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraken 1, 2 en 3;
- wijst de verzoeken om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand en kocht in 2014 een auto zonder dit te melden aan het college. Het college stelde vast dat appellant de aankoop en financiering van de auto niet aannemelijk kon maken, waardoor het recht op bijstand over april 2014 niet kon worden vastgesteld. Tevens werd appellant een boete van €380,- opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht.
Verder bleek uit onderzoek dat appellant vanaf maart 2016 meer uren werkte dan opgegeven, zonder een overzicht van de gewerkte uren bij te houden. Dit leidde tot intrekking van de bijstand vanaf 1 maart 2016 en terugvordering van kosten.
De rechtbank had deze besluiten bevestigd en de Centrale Raad van Beroep heeft in hoger beroep deze uitspraken bekrachtigd. Het verzoek tot schadevergoeding is afgewezen. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs leverde voor de financiering van de auto en dat de onderzoeksresultaten voldoende waren om het standpunt van het college te dragen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van bijstand en de boete wegens schending van de inlichtingenplicht en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.