ECLI:NL:CRVB:2020:1836
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor alternatieve functies
Appellante was administratief medewerker en meldde zich in 2013 ziek. Na een WIA-beoordeling in 2015 werd zij minder dan 35% arbeidsongeschikt verklaard en geschikt geacht voor andere functies. In 2017 meldde zij zich opnieuw ziek en ontving een Ziektewetuitkering. Een verzekeringsarts verklaarde haar per 7 februari 2018 geschikt voor licht werk, waarop het UWV haar Ziektewetuitkering beëindigde.
Appellante voerde bezwaar aan met medische klachten en stelde ongeschikt te zijn voor de geselecteerde functies, waaronder telefoniste/receptioniste. De rechtbank verklaarde haar beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de verzekeringsarts haar beperkingen niet had onderschat.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren zonder nieuwe medische gegevens te overleggen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef de rechtbank en oordeelde dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat appellante geschikt was voor ten minste één functie. Argumenten over conflicthantering en tillen konden in een WIA-procedure worden ingebracht, maar niet in deze Ziektewetprocedure.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees de vordering af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de Ziektewetuitkering per 7 februari 2018 bevestigd.