ECLI:NL:CRVB:2020:1819
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot terugkomen op WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante heeft verzocht om terug te komen op een besluit van 15 december 1997 waarbij zij niet in aanmerking werd gebracht voor een WAO-uitkering, omdat niet was aangetoond dat zij voor 1985 in loondienst werkzaam was geweest. Dit verzoek is meerdere malen inhoudelijk beoordeeld en afgewezen door het UWV, de rechtbank en de Raad.
In hoger beroep stelt appellante dat zij bewijsproblemen heeft en dat recente uitspraken, waaronder een uitspraak van de Raad van 28 april 2016, als nieuwe feiten moeten worden beschouwd. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het verzoek moet worden aangemerkt als een herhaalde aanvraag volgens artikel 4:6 Awb Pro, en dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn die het eerdere besluit onjuist maken.
De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat de door appellante aangevoerde omstandigheden onvoldoende zijn om het besluit als evident onredelijk te bestempelen. De moeilijke omstandigheden waaronder appellante destijds werkte en haar bewijsproblemen leiden niet tot een andere conclusie. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot terugkomen op het WAO-besluit bevestigd.