ECLI:NL:CRVB:2020:1750
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verlaging Ziektewet-uitkering na zwangerschap wegens ontbreken causaal verband
Appellante was werkzaam als medewerkster financiële administratie en meldde zich ziek met zwangerschapsklachten. Na haar bevalling ontving zij een Ziektewet-uitkering die door het UWV werd verlaagd omdat een verzekeringsarts oordeelde dat de arbeidsongeschiktheid niet langer direct gevolg was van zwangerschap of bevalling.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat het causaal verband ontbrak. Appellante voerde in hoger beroep aan dat volgens de toepasselijke richtlijn het causaal verband wel aanwezig was, maar de Raad volgde dit niet.
De Raad overwoog dat de verzekeringsarts inzichtelijk had gemaakt dat de klachten, waaronder aspecifieke lage rugklachten, niet meer direct verband hielden met de zwangerschap of bevalling. Factoren als overgewicht en slaapgebrek werden als alternatieve oorzaken genoemd. Het enkele voortduren van klachten was onvoldoende om het causaal verband aan te nemen.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de verlaging van de uitkering bevestigd. Tevens werd het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De Ziektewet-uitkering van appellante is terecht verlaagd omdat geen causaal verband meer bestaat tussen haar arbeidsongeschiktheid en zwangerschap of bevalling.