ECLI:NL:CRVB:2017:4297
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen causaal verband tussen bevalling en arbeidsongeschiktheid na spoedopname pasgeborene
Appellante was voltijds projectmanager en meldde zich ziek vanaf 19 augustus 2014 wegens zwangerschapsgerelateerde klachten. Na haar bevalling op 15 februari 2015 via een spoedkeizersnede bleef zij arbeidsongeschikt. Het UWV kende haar een ZW-uitkering toe van 29 december 2014 tot 7 mei 2015, maar stelde later dat haar arbeidsongeschiktheid vanaf 10 december 2015 niet meer het gevolg was van de bevalling of zwangerschap.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen de beëindiging van haar ZW-uitkering per 10 december 2015 ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat haar psychische klachten, waaronder PTSS en paniekstoornis, direct voortvloeiden uit de bevalling en dat de spoedopname van haar zoon de klachten slechts versterkte.
De Raad overwoog dat volgens vaste jurisprudentie de arbeidsongeschiktheid direct moet voortkomen uit zwangerschap of bevalling. Uit medische rapporten en de chronologie van gebeurtenissen bleek dat de psychische klachten vooral samenhingen met het life-event van de spoedopname van haar zoon en niet met de bevalling zelf.
De Richtlijn Zwangerschap en bevalling van het UWV werd toegepast, waarbij de tabel met plus- en minpunten geen causaal verband aannemelijk maakte. De Raad concludeerde dat het UWV terecht de ZW-uitkering beëindigde en wees het verzoek tot schadevergoeding af. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de ZW-uitkering per 10 december 2015 bevestigd.