ECLI:NL:CRVB:2020:146
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Wajong-uitkering wegens ontbreken medische objectiveerbare gegevens
Appellante, geboren in 1951, vroeg een Wajong-uitkering aan met de stelling dat zij al op jonge leeftijd arbeidsongeschikt was. Het UWV wees de aanvraag af omdat er geen medisch objectiveerbare gegevens waren die haar arbeidsongeschiktheid in de periode rond haar achttiende jaar konden bevestigen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en stelde dat de enkele verwijzing naar een brief van een sociaal psychiatrisch verpleegkundige onvoldoende was om de arbeidsongeschiktheid aannemelijk te maken.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar arbeidsongeschiktheid voortkomt uit een langdurige hulpverleningsgeschiedenis en persoonlijkheidsstoornissen die al in haar vroege volwassenheid aanwezig waren. Het UWV handhaafde het standpunt dat zonder objectiveerbare medische gegevens de medische toestand niet kan worden vastgesteld, mede vanwege het grote tijdsverloop sinds de relevante periode.
De Raad volgde de rechtbank en het UWV in hun oordeel dat het beoordelingskader van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) van toepassing is en dat de bewijslast bij appellante ligt vanwege de laattijdige aanvraag. Zonder voldoende objectiveerbare medische gegevens kon niet worden vastgesteld dat zij op de datum van inwerkingtreding van de AAW arbeidsongeschikt was. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de Wajong-uitkering bevestigd.